Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich ziek in januari 2019 met klachten aan de rechterarm en spanningsklachten. Het UWV beëindigde aanvankelijk het recht op ziekengeld in april 2020, maar stelde dit later ongewijzigd vast na een neurologisch expertiserapport. Bij de aanvraag van een WIA-uitkering stelde een arts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige berekende een arbeidsongeschiktheidspercentage van 54,58%. Het UWV kende appellant een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een mate van arbeidsongeschiktheid van 58,71% per 31 december 2020.
Appellant voerde bezwaar aan tegen deze vaststelling en stelde dat er sprake was van een verdergaande urenbeperking vanwege onder meer fibromyalgie en nekhernia. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV juist was, mede omdat de klachten die appellant aanvoerde dateren van na de datum in geschil. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af.
De Raad overwoog dat de medische gegevens en rapporten, waaronder die van verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, voldoende grondslag bieden voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. De door appellant overgelegde aanvullende medische informatie verandert hier niets aan, omdat deze geen betrekking heeft op de situatie per 31 december 2020. De toekenning van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van 58,71% arbeidsongeschiktheid per 31 december 2020 blijft gehandhaafd.