Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was voorheen werkzaam als helpende en meldde zich ziek in 2018 en later in 2021 met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Later stelde het UWV op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde daarom de WIA-uitkering per 8 april 2023.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing, stellende dat haar beperkingen groter zijn dan aangenomen en dat de urenbeperking te laag is vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende en zorgvuldig gemotiveerd had dat de geselecteerde functies passend waren en dat de medische beoordeling juist was.
In hoger beroep voerde appellante onder meer aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was omdat geen lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden en dat haar PTSS-klachten en urenbeperking onvoldoende waren meegewogen. Ook verzocht zij om benoeming van een onafhankelijke deskundige op grond van het gelijkheidsbeginsel. De Raad concludeerde echter dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren gemotiveerd en dat er geen aanleiding was voor een deskundigenbenoeming. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beëindiging van de WIA-uitkering terecht is en wijst het hoger beroep van appellante af.