Betrokkene beschikt over een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en ontvangt zorg via een persoonsgebonden budget (pgb), waarbij haar moeder zorg verleent tegen een uurtarief van €29,-. Het zorgkantoor heeft bij de vaststelling van de omvang van het pgb voor meerzorg het uurtarief van de moeder stapsgewijs afgebouwd naar het tarief voor niet-professionele zorgverleners zoals bedoeld in artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van het zorgkantoor, waarbij zij onderscheid maakte tussen regulier pgb en pgb voor meerzorg. Het zorgkantoor stelde een nieuw besluit vast waarbij het oorspronkelijke uurtarief van €29,- werd gehanteerd. Zowel betrokkene als het zorgkantoor gingen in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.
De Raad stelt vast dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door het oordeel niet te beperken tot meerzorg. De Raad oordeelt dat het zorgkantoor het uurtarief van de moeder niet mocht afbouwen omdat dit tarief al jarenlang redelijk en gebruikelijk is. Het hoger beroep van betrokkene slaagt, en de Raad bevestigt de vernietiging van het bestreden besluit met verbetering van gronden. Het zorgkantoor wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.