ECLI:NL:CRVB:2025:898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang werkgever bij weigering WIA-uitkering werknemer
In deze zaak heeft appellante, een werkgever actief in arbeidsbemiddeling, bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om aan haar werknemer een WIA-uitkering toe te kennen. De werknemer was ziekgemeld sinds mei 2019 en na 104 weken werd de loondoorbetalingsverplichting verlengd vanwege onvoldoende reintegratie. Het UWV weigerde vervolgens de WIA-uitkering omdat de werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een eigen procesbelang, aangezien appellante geen financieel belang had bij de uitkomst en het opkomen voor de belangen van de werknemer geen eigen belang van de werkgever vormde. Appellante stelde in hoger beroep dat zij haar werknemer wilde bijstaan omdat deze zelf niet in staat was zich te verweren.
De Raad oordeelde dat appellante niet namens de werknemer procedeert, omdat geen formele machtiging was gegeven en de ingediende stukken uitsluitend namens appellante waren. Verder is het vaste rechtspraak dat een werkgever weliswaar categoraal belanghebbende is bij besluiten van het UWV, maar dat dit niet automatisch betekent dat hij een concreet procesbelang heeft bij bezwaar of beroep.
De Raad concludeerde dat het bijstaan van de werknemer geen eigen procesbelang oplevert, omdat appellante geen financieel nadeel ondervindt van de weigering en ook geen financieel voordeel behaalt bij toekenning van de uitkering. Ook het beroep op een vertrouwensbeginsel faalde. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan eigen procesbelang.