ECLI:NL:CRVB:2025:811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2005 een Wajong-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV beëindigde deze uitkering per 30 oktober 2019, omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de arbeidsdeskundige functies passend waren vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de medische beoordeling tekortschiet, met name vanwege een vermeende verslechtering van haar fysieke toestand en de noodzaak van een urenbeperking. Ook stelde zij dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld en dat sprake was van leeftijdsdiscriminatie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beoordeling adequaat en zorgvuldig was, en dat de aangevoerde medische gronden geen aanleiding gaven tot herziening.
Ten aanzien van het maatmaninkomen werd bevestigd dat het gehanteerde startsalaris van een juridisch medewerker op basis van een hbo-diploma vóór het 30e levensjaar correct was, en dat het wo-masterdiploma na het 30e levensjaar niet in aanmerking kon worden genomen. De Raad vond geen reden om het beroep gegrond te verklaren en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid en maatmaninkomen binnen de Wajong-regeling, en bevestigt dat nieuwe medische rapporten die na de datum in geding zijn opgesteld, beperkt relevant zijn voor het oordeel.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.