Betrokkene, gehuwd maar duurzaam gescheiden van zijn echtgenote, vroeg om toekenning van een AOW-pensioen als ongehuwde. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende aanvankelijk een gehuwdenpensioen toe, maar verklaarde bezwaar ongegrond met het argument dat betrokkene niet duurzaam gescheiden leeft vanwege gezamenlijke inkomsten uit onroerende zaken.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarna de Svb een nieuw besluit nam met hetzelfde standpunt over gezamenlijke onroerende zaken. De rechtbank vernietigde ook dit besluit en kende het ongehuwdenpensioen toe vanaf 13 juli 2021.
De Svb ging in hoger beroep, stellende dat betrokkene en zijn echtgenote gezamenlijke inkomsten genieten uit meerdere onroerende zaken. De Raad oordeelde dat dit niet is komen vast te staan en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente werd toegewezen, het verzoek om vergoeding van belastingschade afgewezen omdat deze schade nog niet was vastgesteld.
De Raad bepaalde dat betrokkene recht heeft op het ongehuwdenpensioen vanaf 13 juli 2021 en wees het hoger beroep van de Svb af. Tevens werd een griffierecht aan de Svb opgelegd.