Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
.Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koenders en mr. S.J. Bergraaf. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Keeken, advocaat, en mr. W.A.N. Bot.
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als motorsurveillant bij de politie, kwam op 12 november 2020 tijdens een oefenrit met de dienstmotor ten val op een onverharde, drassige bosweg, waarbij hij knieletsel opliep. De korpschef kwalificeerde het ongeval als dienstongeval, maar weigerde het aan te merken als beroepsincident. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, met het uitgangspunt dat bij oefensituaties in beginsel geen gevaarzettende situatie aanwezig is.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er onvoldoende waarborgen waren om letsel te voorkomen, het toezicht niet adequaat was en hij onvoldoende geïnformeerd was over zijn vrijheid om niet deel te nemen aan de oefening. De Raad toetste deze gronden en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het ongeval niet als beroepsincident kan worden aangemerkt omdat het rijden op onverhard terrein noodzakelijk was voor de functie, maar de motor niet geschikt was voor dergelijk terrein en de oefening vrijblijvend was.
De Raad concludeerde dat het ongeval te wijten is aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden zonder gevaarzettende situatie en dat appellant zich aan de situatie had kunnen onttrekken. Het hoger beroep werd verworpen, het bestreden besluit bleef in stand en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het dienstongeval wordt niet als beroepsincident aangemerkt en het hoger beroep wordt verworpen.