ECLI:NL:CRVB:2025:730

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 mei 2025
Publicatiedatum
14 mei 2025
Zaaknummer
24/1164 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en proceskostenveroordeling in WIA-kwijtscheldingszaak

Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV waarin een verzoek tot kwijtschelding van een WIA-uitkering werd afgewezen. Het UWV heeft vervolgens bij een nieuw besluit de resterende terugvordering van € 1.554,22 kwijtgescholden, waarna appellant het hoger beroep introk.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en beoordeelde de proceskostenveroordeling. Volgens artikel 8:75a Awb kan het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming in de bezwaren worden veroordeeld in de proceskosten.

Het UWV betoogde dat vergoeding van proceskosten niet op zijn plaats was vanwege gewijzigd beleid, maar dit werd verworpen omdat de situatie niet vergelijkbaar was met eerdere jurisprudentie. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant voor zowel beroep als hoger beroep, begroot op in totaal € 4.081,50, en vergoedde tevens het betaalde griffierecht van € 188,-.

De uitspraak werd gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen namens de Centrale Raad van Beroep op 14 mei 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep is ingetrokken na volledige tegemoetkoming door het UWV, dat is veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitspraak

24/1164 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2024, 23/3984 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 mei 2025
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 24 januari 2025 heeft het Uwv de resterende terugvordering van € 1.554,22 bruto aan WIA-uitkering kwijtgescholden.
Bij brief van 28 januari 2025 heeft mr. Kramer namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met het nieuwe besluit op bezwaar van 24 januari 2025 volledig aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen. Appellant heeft rechtstreeks beroep ingesteld tegen het besluit van 27 oktober 2023, waarin zijn verzoek om kwijtschelding was afgewezen. Daarom zijn er geen te vergoeden kosten die in een bezwaarprocedure zijn gemaakt. De Raad oordeelt dan ook over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv meent dat er geen plaats is voor vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten, omdat er sprake is geweest van na het besluit gewijzigd beleid van het Uwv. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van 27 maart 2013. [1]
Dit wordt niet gevolgd. De door het Uwv aangehaalde uitspraak gaat niet over gewijzigde beleidsregels of een gewijzigde vaste gedragslijn van het bestuursorgaan zelf en is daarom niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak.
In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Dit is hier niet het geval.
Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze voor vergoeding in aanmerking komende kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 2.721,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van repliek en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 907,-) en € 1.360,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 0,5 punt voor een schriftelijke uiteenzetting, met een waarde per punt van € 907,-). In totaal bedragen de door het Uwv te vergoeden proceskosten € 4.081,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.081,50;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2025.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CRvB 27 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5706.