ECLI:NL:CRVB:2025:722
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en vervoer op grond van de Wmo 2015
Appellante, geboren in 1964 en bekend met complexe medische problematiek, diende op 27 mei 2021 een aanvraag in voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015, waaronder huishoudelijke ondersteuning, een scootmobiel en collectief vraagafhankelijk vervoer. Het college wees deze aanvraag af op basis van sociaalmedische adviezen van de GGD Zuid Limburg, waarin werd geconcludeerd dat geen medische noodzaak bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde het besluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het GGD-onderzoek onzorgvuldig was, met name omdat de GGD-arts haar knieën niet had onderzocht en haar pijnklachten onvoldoende werden erkend. Zij overlegde daarnaast medische verklaringen van fysiotherapeuten, een revalidatiearts en een ergotherapeut die haar aanvraag ondersteunden.
De Raad oordeelde echter dat het GGD-onderzoek zorgvuldig en volledig was, mede omdat de GGD-arts beschikte over informatie van een reumatoloog die de knieën had onderzocht. De Raad vond dat het college zich terecht had gebaseerd op het GGD-advies, waarin werd gesteld dat er geen noodzaak was voor de gevraagde voorzieningen. De medische stukken van appellante gaven onvoldoende concrete onderbouwing om het GGD-advies te weerleggen.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en bleef het bestreden besluit in stand. Appellante kreeg geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag maatwerkvoorzieningen blijft in stand.