ECLI:NL:CRVB:2025:720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens niet doorlopende arbeidsongeschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellante was werkzaam als medewerker inkoop/administratief medewerker en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV verklaarde haar per 2 februari 2021 arbeidsgeschikt voor haar maatgevende arbeid, waarna zij zich later opnieuw ziekmeldde bij een andere werkgever. De aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen omdat zij niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt was geweest.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van het UWV van 3 maart 2021, waarbij haar ZW-uitkering werd beëindigd, in rechte vaststaat en dat de wachttijd daardoor is onderbroken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde overtuigend dat appellante vanaf 2 februari 2021 tot het einde van de wachttijd geschikt was voor haar werk. Appellante voerde aan dat haar psychische klachten niet goed onderzocht waren, maar dit werd niet gevolgd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en het UWV. Er is geen sprake van doorlopende arbeidsongeschiktheid gedurende 104 weken, waardoor de WIA-uitkering terecht is afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om een WIA-uitkering wordt afgewezen omdat appellante niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest voor haar maatgevende arbeid.