Appellante heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) verzocht tot vergoeding van schade wegens een onrechtmatig besluit over de uitbetaling van kinderbijslag. De rechtbank had het beroep van appellante gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar had niet beslist op het verzoek om schadevergoeding.
De Raad stelt vast dat het besluit van 14 november 2022 onrechtmatig was en dat de Svb in beginsel aansprakelijk is voor schade. Echter, appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Het ervaren van spanning en stress door appellante en haar partner is onvoldoende onderbouwd om immateriële schade toe te kennen.
Ook het verzoek om vergoeding van de tijd die haar partner aan de procedure heeft besteed wordt afgewezen, omdat er geen sprake was van beroepsmatige rechtsbijstand en de proceskostenregeling exclusief is.
De Raad vernietigt het deel van de uitspraak waarin niet op het verzoek om schadevergoeding is beslist, wijst het verzoek af, en veroordeelt de Svb tot vergoeding van proceskosten en griffierecht van appellante.