ECLI:NL:CRVB:2025:394
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellante, voormalig docent basisonderwijs, was sinds 25 juli 2016 arbeidsongeschikt. Het UWV stelde aanvankelijk haar arbeidsongeschiktheid vast op 69,41% en herzag dit later meerdere malen na medisch en arbeidskundig onderzoek. Uiteindelijk werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 72,02% per 23 januari 2019, met voortzetting van de WGA-loonaanvullingsuitkering tot 1 oktober 2025.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was en dat sprake was van strijd met het verbod van reformatio in peius. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de arbeidskundige beoordeling voldoende gemotiveerd was. Het verbod van reformatio in peius werd niet geschonden omdat de uitkering pas per toekomstige datum werd gewijzigd met inachtneming van een uitlooptermijn.
Daarnaast werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De totale procedure duurde vier jaar en vijf maanden, waarbij de overschrijding van vijf maanden geheel voor rekening van het UWV kwam. De Raad veroordeelde het UWV tot een vergoeding van € 500,- en tot betaling van de proceskosten van appellante.
De uitspraak bevestigt het bestreden besluit en verklaart het beroep tegen het besluit van 11 januari 2024 ongegrond, waarmee de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid en de voortzetting van de uitkering worden gehandhaafd.
Uitkomst: De arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 72,02% en de WGA-uitkering wordt voortgezet tot 1 oktober 2025; het UWV moet € 500,- schadevergoeding betalen wegens termijnoverschrijding.