ECLI:NL:CRVB:2025:392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening zorgtoeslag als tegemoetkoming bestuursrechtelijke premie
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen besluiten van het CAK waarin is vastgesteld dat zijn zorgtoeslag als tegemoetkoming in de bestuursrechtelijke premie aan het CJIB wordt uitbetaald. De rechtbank heeft deze besluiten bevestigd en geoordeeld dat het CAK bevoegd is deze uitbetaling te doen zonder te toetsen of verzoeker verzekeringsplichtig is voor de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Verzoeker stelde dat hij niet verzekeringsplichtig is en dat de uitbetaling aan het CJIB onterecht is. Hij verzocht om een voorlopige voorziening om de betalingsverplichting op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek grotendeels een herhaling is van eerdere gronden en dat het CAK conform artikel 18f, zesde lid, Zvw heeft gehandeld.
De voorzieningenrechter benadrukte dat het CAK niet hoeft te beoordelen of verzoeker recht heeft op zorgtoeslag of verzekeringsplichtig is. De vaststelling dat de zorgtoeslag aan het CJIB wordt uitbetaald is niet afhankelijk van die beoordeling. Daarom worden de aangevallen uitspraken bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Verzoeker krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 27 februari 2025.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de vaststelling van het CAK blijft in stand.