Appellant, sinds 1992 werkzaam bij Defensie, verzocht om verlenging van zijn aanspraak op voorzieningen uit het SBK 2004 en om aan te merken als externe herplaatsingskandidaat. Deze verzoeken werden door de staatssecretaris afgewezen, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege zijn gezondheidssituatie bij Defensie wilde blijven werken in zijn huidige functie en geen aanspraak meer wilde maken op SBK-voorzieningen of externe herplaatsing. Hierdoor kon hij geen feitelijk belang meer ontlenen aan het beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het ontbreken van procesbelang betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Een principieel belang of het verlangen naar een uitspraak over de rechtmatigheid van het handelen van de staatssecretaris is onvoldoende. Er is ook geen aannemelijk gemaakte schade. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd geen proceskostenvergoeding toegekend.