ECLI:NL:CRVB:2025:317
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vergoeding schade en proceskosten na intrekking hoger beroep WIA-zaak wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant stelde hoger beroep in tegen een WIA-beslissing van het UWV. Het UWV nam op 2 september 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarin het volledig aan de bezwaren tegemoetkwam. Vervolgens trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen in de proceskosten en om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelde dat de totale procedure van bezwaar, beroep en hoger beroep ruim acht jaar duurde, terwijl de redelijke termijn voor een dergelijke procedure in beginsel maximaal vier jaar bedraagt. De overschrijding van vier jaar en acht maanden rechtvaardigt een immateriële schadevergoeding van €5.000 aan appellant. De bestuurlijke fase was binnen de redelijke termijn, maar de rechterlijke fase niet.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, begroot op €5.013,34, en de Staat tot vergoeding van proceskosten van €453,50 in verband met het schadevergoedingverzoek. Ook moet het UWV het betaalde griffierecht van €174 vergoeden. Een verzoek om vergoeding van deskundigenkosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €5.000 wegens overschrijding redelijke termijn en het UWV tot vergoeding van proceskosten van €5.013,34.