ECLI:NL:CRVB:2025:283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV weigerde deze toe te kennen omdat zij niet de vereiste wachttijd van 104 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid heeft vervuld. Appellante stelde dat zij vanaf 22 oktober 2018 onafgebroken arbeidsongeschikt was en dat de beëindiging van haar Ziektewet-uitkering per 1 april 2019 onterecht was.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend aantoonde dat appellante niet onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest. De Raad volgde dit oordeel en benadrukte dat de hersteldmelding van 1 april 2019 niet doorslaggevend is, maar dat een zelfstandige beoordeling op basis van alle medische gegevens vereist is.
De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af vanwege de zorgvuldige en onderbouwde medische beoordeling. Het hoger beroep werd verworpen, de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand en het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.