ECLI:NL:CRVB:2025:278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, voormalig assistent filiaalmanager, ontving een WIA-uitkering die het UWV per 16 juli 2020 beëindigde wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellante betwistte de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en stelde dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, waardoor zij de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was omdat het in 2020 alleen telefonisch plaatsvond en dat de ernst van haar ziekte van Crohn was onderschat.
De Centrale Raad van Beroep voerde aanvullend onderzoek uit, waaronder het horen van een MDL-arts en het bestuderen van aanvullende medische rapporten. De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor een ernstige verslechtering van de ziekte op de datum in geding en dat de fluctuaties in het ziektebeeld na die datum niet relevant zijn voor de beoordeling.
Uiteindelijk oordeelde de Raad dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat de geselecteerde functies passend zijn. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.