ECLI:NL:CRVB:2025:273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, werkzaam als postsorteerder en loodsmedewerker, werd per 12 oktober 2020 zijn WIA-uitkering ontzegd omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant betwistte dit en voerde aan dat zijn medische beperkingen onderschat waren, mede vanwege ernstige psychische en lichamelijke klachten. Hij stelde dat de geselecteerde functies niet passend waren en verzocht om een deskundige benoeming.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat er geen twijfel bestond over de medische beoordeling. In hoger beroep onderzocht de Raad de medische en arbeidskundige aspecten opnieuw. Hoewel het medisch onderzoek aanvankelijk onzorgvuldig was, werd dit gebrek hersteld door een spreekuuronderzoek in 2023. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de arbeidsdeskundige passende functies had geselecteerd.
De Raad verwierp de argumenten van appellant over onderschatting van beperkingen en urenbeperking. Het rapport van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts, die appellant niet had onderzocht, gaf geen aanleiding tot twijfel aan de UWV-beoordeling. Ook werd het verzoek om een deskundige afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de medische beoordeling. De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant wordt per 12 oktober 2020 beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.