ECLI:NL:CRVB:2025:1812

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
24/88 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 ParticipatiewetArt. 88 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en op geld waardeerbare arbeid

Appellanten ontvingen vanaf juli 2021 bijstand op grond van de Participatiewet. Vanaf november 2021 werkte appellant parttime in een barbershop, waarvan de inkomsten werden verrekend met de bijstand. Na onderzoek concludeerde het dagelijks bestuur dat appellant onjuiste opgave had gedaan over zijn aanwezigheid en werkzaamheden, waardoor de inlichtingenverplichting werd geschonden. Het recht op bijstand kon daardoor niet worden vastgesteld en de bijstand werd ingetrokken.

Het dagelijks bestuur vorderde vervolgens de bijstand terug over november 2022, omdat appellant vaker aanwezig was dan opgegeven en daardoor op geld waardeerbare arbeid verrichtte die niet was gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond, verwijzend naar vaste jurisprudentie dat aanwezigheid op de werkplek tijdens reguliere uren op geld waardeerbare arbeid impliceert, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.

Appellanten stelden dat appellant buiten de opgegeven uren alleen aanwezig was vanwege persoonlijke omstandigheden en geen werk verrichtte. Dit werd niet aannemelijk geacht. Ook in hoger beroep werd deze stelling niet onderbouwd met objectieve gegevens. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en het bestreden besluit, waarbij ook wachttijd op de werkplek als werktijd wordt beschouwd. Appellanten kregen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en het verrichten van niet gemelde op geld waardeerbare arbeid.

Uitspraak

24.88 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2023, 23/1368 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]
het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Senzer (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 2 december 2025
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte
Griffier: L. van Beelen
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 november 2025. Partijen zijn niet verschenen. Het onderzoek is gesloten. De Raad heeft beslist dat mondeling uitspraak wordt gedaan en dat die uitspraak met één week wordt verdaagd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellanten ontvingen vanaf 10 juli 2021 bijstand op grond van de Participatiewet naar de gehuwdennorm. Vanaf 1 november 2021 werkte appellant daarnaast parttime in een barbershop . De inkomsten hieruit werden maandelijks in mindering gebracht op de bijstand.
Op grond van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten toegekende bijstand heeft het dagelijks bestuur met een besluit van 20 december 2022 de bijstand van appellanten met ingang van 1 november 2022 ingetrokken. Het dagelijks bestuur heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door onjuiste opgave te doen van de door appellant gewerkte uren. Het recht op bijstand kan daardoor niet worden vastgesteld. Appellanten hebben tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
Met een besluit van 18 januari 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 april 2023 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de over de periode van 1 november 2022 tot en met 30 november 2022 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 719,87 van appellanten teruggevorderd. Het dagelijks bestuur heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant in november 2022 meer aanwezig is geweest in de barbershop dan door hem is opgegeven. Op grond van vaste jurisprudentie betreft dit op geld waardeerbare arbeid die appellant dient te melden. Nu appellant geen volledige opgave heeft gedaan aan het dagelijks bestuur van zijn aanwezigheid in of werkzaamheden bij de barbershop heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden. Omdat het recht op bijstand over deze maand niet kan worden vastgesteld hebben appellanten voor de maand november 2022 ten onrechte bijstand ontvangen. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is het dagelijks bestuur niet gebleken.
Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad [1] dat de aanwezigheid van een persoon op een werkplek tijdens reguliere arbeidsuren veronderstelt dat de desbetreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht en dat het dan aan die persoon is om het tegendeel aannemelijk te maken. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant langer en vaker in de barbershop aanwezig was dan de uren/dagen die hij als gewerkte uren/dagen via het urenverantwoordingsformulier heeft doorgegeven. Daarmee staat vast dat appellant ook buiten de opgegeven uren en dagen op de werkplek is geweest en het aan hem is om aannemelijk te maken dat hij daar geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant dit met de enkele stelling dat hij buiten de opgegeven uren aanwezig was omdat hij niet graag thuis is in verband met de situatie rondom zijn zoon en dat dit geen werkuren zijn, niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarmee staat vast dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht die hij niet heeft gemeld. Appellanten hebben daarmee de inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens ingeleverd van de omvang van zijn werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur gehouden was de bijstand over de periode van 1 november 2022 tot en met 30 november 2022 terug te vorderen.
Appellanten hebben, net zoals in beroep, aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, omdat appellant geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht buiten de door hem opgegeven uren. Appellant was vaak in de barbershop aanwezig omdat hij niet graag thuis is in verband met de situatie rondom zijn zoon. Uit de heimelijke waarnemingen blijkt dat appellant weliswaar buiten de opgegeven uren vaak in de barbershop aanwezig was, maar ook dat hij daar dan feitelijk niets deed. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wat appellanten aanvoeren is in de kern een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellanten hebben in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hen onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen, zoals hierboven weergegeven, waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daar nog aan toe dat ook het louter aanwezig zijn op de gewone werkplek is aan te merken als op geld waardeerbare arbeid. Wachttijd, op bijvoorbeeld een nieuwe klant, betreft óók werktijd. [2]
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Appellanten krijgen daarom geen vergoeding voor hun proceskosten. Zij krijgen ook het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) L. van Beelen (getekend) O.L.H.W.I. Korte

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3412.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:871.