ECLI:NL:CRVB:2025:1812
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en op geld waardeerbare arbeid
Appellanten ontvingen vanaf juli 2021 bijstand op grond van de Participatiewet. Vanaf november 2021 werkte appellant parttime in een barbershop, waarvan de inkomsten werden verrekend met de bijstand. Na onderzoek concludeerde het dagelijks bestuur dat appellant onjuiste opgave had gedaan over zijn aanwezigheid en werkzaamheden, waardoor de inlichtingenverplichting werd geschonden. Het recht op bijstand kon daardoor niet worden vastgesteld en de bijstand werd ingetrokken.
Het dagelijks bestuur vorderde vervolgens de bijstand terug over november 2022, omdat appellant vaker aanwezig was dan opgegeven en daardoor op geld waardeerbare arbeid verrichtte die niet was gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond, verwijzend naar vaste jurisprudentie dat aanwezigheid op de werkplek tijdens reguliere uren op geld waardeerbare arbeid impliceert, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
Appellanten stelden dat appellant buiten de opgegeven uren alleen aanwezig was vanwege persoonlijke omstandigheden en geen werk verrichtte. Dit werd niet aannemelijk geacht. Ook in hoger beroep werd deze stelling niet onderbouwd met objectieve gegevens. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en het bestreden besluit, waarbij ook wachttijd op de werkplek als werktijd wordt beschouwd. Appellanten kregen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en het verrichten van niet gemelde op geld waardeerbare arbeid.