Appellant, met de Spaanse nationaliteit, had studiefinanciering aangevraagd inclusief een aanvullende beurs en een reisvoorziening voor de periode september tot en met december 2021. De minister wees dit aanvankelijk af, maar kende later alsnog de beurs en reisvoorziening toe. Appellant verzocht vervolgens om schadevergoeding wegens het te laat ontvangen reisrecht. De minister wees dit verzoek af, waarop appellant bezwaar maakte en beroep instelde.
De rechtbank wees het beroep af omdat appellant onvoldoende bewijs had geleverd van de schade en het gelijkheidsbeginsel niet aannemelijk had gemaakt. De Centrale Raad van Beroep vernietigde dit oordeel deels. De Raad stelde vast dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat de minister aansprakelijk is voor de schade die daardoor is ontstaan.
De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak waarin is bepaald dat studenten een forfaitaire vergoeding moeten krijgen voor een te laat toegekend reisrecht. Voor de periode van vier maanden is de schade vastgesteld op €398,32. De Raad veroordeelt de minister tot betaling van deze vergoeding plus wettelijke rente en proceskosten. Het beroep wordt deels toegewezen.