In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 4 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de rechtbank Oost-Brabant. De zaak betreft de intrekking en terugvordering van bijstand van appellante, die sinds 11 maart 2009 bijstand ontving op grond van de Wet werk en bijstand. De intrekking en terugvordering zijn gebaseerd op het feit dat appellante beschikte over vermogen, bestaande uit de opbrengsten van de verkoop van onroerende zaken en een ontvangen schadevergoeding, maar dit niet heeft gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet over het vermogen kon beschikken, maar de Raad heeft dit standpunt verworpen. De Raad oordeelde dat appellante als eigenaar van de onroerende zaken in staat was om over de verkoopopbrengsten te beschikken. De rechtbank had eerder het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en de Raad bevestigde deze uitspraak. De uitspraak benadrukt de verplichting van bijstandsontvangers om relevante informatie over hun vermogen te verstrekken en de gevolgen van het niet voldoen aan deze verplichting.