ECLI:NL:CRVB:2025:1655

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
24/1426 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en vermogen

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 4 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de rechtbank Oost-Brabant. De zaak betreft de intrekking en terugvordering van bijstand van appellante, die sinds 11 maart 2009 bijstand ontving op grond van de Wet werk en bijstand. De intrekking en terugvordering zijn gebaseerd op het feit dat appellante beschikte over vermogen, bestaande uit de opbrengsten van de verkoop van onroerende zaken en een ontvangen schadevergoeding, maar dit niet heeft gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet over het vermogen kon beschikken, maar de Raad heeft dit standpunt verworpen. De Raad oordeelde dat appellante als eigenaar van de onroerende zaken in staat was om over de verkoopopbrengsten te beschikken. De rechtbank had eerder het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en de Raad bevestigde deze uitspraak. De uitspraak benadrukt de verplichting van bijstandsontvangers om relevante informatie over hun vermogen te verstrekken en de gevolgen van het niet voldoen aan deze verplichting.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 mei 2024, 23/1423 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)
Datum uitspraak: 4 november 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van bijstand en daarop volgende afwijzingen van vier verschillende aanvragen om bijstand. Aan de intrekking en terugvordering ligt ten grondslag dat appellante heeft kunnen beschikken over vermogen, bestaande uit de opbrengsten van de verkoop van onroerende zaken en een ontvangen schadevergoeding. Appellante heeft hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt en het recht op bijstand kan als gevolg hiervan niet worden vastgesteld. Deze situatie was ongewijzigd ten tijde van de aanvragen. Appellante voert daartegen aan dat zij niet over het vermogen kon beschikken. Zij krijgt daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.L. Ross, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 september 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ross. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Yesildag.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving sinds 11 maart 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.
1.2.
Medio 2009 zijn zowel bij de Belastingdienst als bij de politie signalen binnengekomen over de familie waarvan appellante deel uitmaakt. Deze signalen gingen over frauduleuze handelingen en ten onrechte ontvangen uitkeringen. Naar aanleiding van deze signalen heeft een grootschalig onderzoek plaatsgevonden, dat in eerste instantie werd verricht door de Belastingdienst en de politie. Zij hebben de onderzoeksgegevens uitgewisseld met de afdeling Sociale Recherche van de gemeente ’s-Hertogenbosch (sociale recherche). De sociale recherche heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Dit onderzoek zag onder meer op:
  • de wijze van verkrijging en vervreemding van twee onroerende zaken die vanaf 20 juli 1995 tot 4 september 2008 (adres X) en vanaf 12 april 2005 tot 20 april 2009 (adres Y) op naam van appellante stonden en welke onroerende zaken daarna zijn verkocht voor een bedrag van € 1.400.000,-, respectievelijk € 70.000,-;
  • een door appellante, als eigenaar van de woning aan adres X, ontvangen schadevergoeding van € 200.000,- op 9 september 2005 (schadevergoeding).
De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in rapporten van 25 juni 2012, 8 augustus 2012 en van 6 februari 2013.
1.3.
In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om met een besluit van 5 juli 2012 de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2012 in te trekken. Dit besluit staat in rechte vast.
1.4.
Met een besluit van 4 maart 2013 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 11 maart 2009 tot en met 31 maart 2012 en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag € 51.979,60 van appellante teruggevorderd.
1.5.
Appellante heeft op 29 augustus 2012, 17 december 2012, 8 augustus 2013 en 20 januari 2015 een aanvraag om bijstand ingediend. Deze aanvragen om bijstand zijn bij besluiten van respectievelijk 30 november 2012 (besluit 2), 9 april 2013 (besluit 3), 7 oktober 2013 (besluit 4) en 6 maart 2015 (besluit 5) afgewezen.
1.6.
In de strafrechtelijke procedure heeft de rechtbank Oost-Brabant appellante met een vonnis van 18 januari 2016 veroordeeld. In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hof) appellante met een arrest van 10 december 2020, met parketnummer: [parketnummer] , rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf van 180 uur. Appellante is veroordeeld voor het plegen en medeplegen van gewoontewitwassen, het medeplegen van valsheid in geschrifte meermaals gepleegd en het opzettelijk nalaten gegevens aan een uitkeringsinstantie te verstrekken. De Hoge Raad heeft met een arrest van 6 december 2022 [1] het beroep in cassatie verworpen.
1.7.
Met een besluit van 28 april 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten 1 tot en met 5 ongegrond verklaard.
1.7.1.
Het college heeft daarbij aan de intrekking en terugvordering ten grondslag gelegd dat appellante ten tijde van belang kon beschikken over vermogen, bestaande uit de schadevergoeding, de opbrengsten uit de verkoop van de onroerende zaak op adres X en het in de onroerende zaak op adres Y gebonden vermogen en na verkoop de opbrengsten daarvan. Appellante heeft van het eigendom en de na de verkoop van de onroerende zaken ontvangen bedragen van in totaal € 1.670.000,- geen melding gemaakt. Appellante heeft vervolgens niet de nodige duidelijkheid over de besteding en of verblijfplaats van het vermogen gegeven. Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld.
1.7.2.
Aan de afwijzingen van de aanvragen heeft het college ten grondslag gelegd dat appelante niet heeft aangetoond dat er sprake is van een wijziging van de omstandigheden waardoor nu, en anders dan ten tijde van de eerdere intrekkingsbesluiten, wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing van vier aanvragen om bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.1.
De te beoordelen periode van besluit 1 is de periode van 11 maart 2009, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 4 maart 2013, de datum van dit besluit.
4.2.
Niet in geschil is dat:
  • appellante van 20 juli 1995 tot 4 september 2008 eigenaar was van de onroerende zaak op adres X;
  • aan haar als eigenaar hiervan in 2005 een schadevergoeding van € 200.000,- is overgemaakt;
  • appellante de onroerende zaak op adres X op 4 september 2008 heeft verkocht voor een bedrag van € 1.400.000.-;
  • appellante vanaf 1998 tot ten minste het moment van verkoop in 2008 woonde in de woning op adres X;
  • dat het verkoopbedrag van de onroerende zaak op adres X bij aanvang van de bijstand in maart 2009 nog in een depot lag bij de bij de verkoop betrokken notaris;
  • appellante vanaf 12 april 2005 tot 20 april 2009 – en dus ook bij aanvang van bijstand in maart 2009 – eigenaar was van de op haar naam staande onroerende zaak op adres Y;
  • appellante de onroerende zaak op adres Y op 20 april 2009 aan haar broer heeft verkocht voor een bedrag van € 70.000,-;
  • appellante geen melding heeft gemaakt van de ontvangst van de schadevergoeding, van het bedrag dat zij naar aanleiding van de verkoop van de onroerende zaak op adres X heeft ontvangen en ook niet van het eigendom en de opbrengsten van de verkoop van de onroerende zaak op adres Y;
  • als appellante wel na de verkoop van de onroerende zaken kon beschikken over het daarmee vrijgekomen vermogen, de intrekking en terugvordering over de gehele te beoordelen periode en de afwijzingen van de aanvragen stand houden.
4.3.
Appellante voert in de eerste plaats aan dat de verkoopopbrengsten van beide onroerende zaken en de schadevergoeding niet aan haar, maar aan de Roma-gemeenschap waartoe zij behoort toekwamen. In haar gemeenschap is gebruikelijk dat na verkoop van onroerende zaken de opbrengst hiervan aan de gemeenschap wordt (terug)gegeven. Zij kon hierover na de verkoop dan ook niet meer beschikken en zij had op enig moment daarna weer recht op bijstand. Daarnaast voert appellante aan dat het hof in het arrest van 10 december 2020 heeft geoordeeld dat haar vader kon beschikken over de opbrengst van de verkoop van de onroerende zaak op adres X. Daaruit volgt dat appellante geen beschikking hierover had. Deze gronden slagen niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.3.1.
Onder vermogen wordt verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Dit volgt uit artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet. De term beschikken moet zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk te gebruiken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.3.2.
Niet in geschil is dat appellante eigenaar was van de beide onroerende zaken. Eigendom is het meest verstrekkende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. Om die reden is aannemelijk dat appellante kon beschikken over de verkoopopbrengsten van die onroerende zaken. Appellante heeft haar standpunt dat zij beperkt was in haar beschikkingsmacht over verkoopopbrengsten, in die zin dat de Roma-gemeenschap daarover kon beschikken, niet onderbouwd. Ook de andere grond treft geen doel. Dat is alleen al het geval omdat het hof in het arrest van 10 december 2020 niet heeft geoordeeld dat de vader van appellante over de verkoopopbrengst van de onroerende zaak op adres X kon beschikken.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de intrekking en de terugvordering van bijstand en de afwijzing van vier aanvragen om bijstand in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en E.C.E. Marechal als leden, in tegenwoordigheid van H.Z. Şipal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO3782.