ECLI:NL:CRVB:2025:1579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon voor IVA-uitkering zonder toepassing startersregeling
In deze zaak betwist appellante de vaststelling van haar dagloon door het UWV voor haar IVA-uitkering, omdat zij meent dat de strikte toepassing van de dagloonregels leidt tot een onevenredige uitkomst. Zij stelt dat haar dagloon volgens de startersregeling berekend had moeten worden of dat loon uit een bijbaan buiten beschouwing had moeten blijven.
De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken en bevestigt dat het UWV terecht is uitgegaan van een referteperiode van 1 oktober 2016 tot en met 30 september 2017, waarbij het loon uit de bijbaan in oktober 2016 binnen die periode valt en dus meegenomen moet worden. Omdat appellante in de eerste maand van de referteperiode loon heeft ontvangen, is zij geen starter in de zin van de startersregeling.
De Raad oordeelt dat de bijzondere omstandigheden die appellante aanvoert, zoals haar medische en financiële situatie en het feit dat zij in augustus 2017 niet de hele maand heeft gewerkt, niet leiden tot een onredelijk bezwarend besluit. De berekeningswijze van het dagloon is gebonden aan het Dagloonbesluit en het UWV heeft de regels correct toegepast.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, het dagloon van €70,50 blijft gehandhaafd en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het dagloon van €70,50 blijft gehandhaafd.