ECLI:NL:CRVB:2025:1577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen loonsanctie wegens voldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Appellant was verkoopadviseur en meldde zich op 13 juli 2020 ziek. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige kende het UWV op 17 augustus 2022 een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 72,46%. Het UWV oordeelde dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen had geleverd.
Appellant maakte bezwaar tegen dit oordeel en stelde dat de werkgever onvoldoende had gedaan, onder meer door het niet opvolgen van adviezen van de bedrijfsarts, het niet aanbieden van passende werkzaamheden en het niet tijdig inzetten van mediation. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het UWV terecht had geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen voldoende waren, ondanks spanningen en een arbeidsconflict.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukt dat het gaat om wat redelijkerwijs van de werkgever verwacht kan worden en dat mediation succesvol is ingezet. Zowel het eerste als het tweede spoor zijn adequaat opgestart. Het standpunt van appellant dat er sprake zou zijn van onvoldoende inspanningen wordt niet gevolgd.
De Raad concludeert dat het UWV niet onrechtmatig heeft gehandeld door geen loonsanctie op te leggen. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende zijn, blijft in stand.