Appellante, bekend met psychische problematiek en een eetstoornis, woont zelfstandig met een maatwerkvoorziening beschermd wonen via de RIBW. Zij verzocht om herziening van deze voorziening door verstrekking van forfaitair leefgeld, maar het college weigerde dit omdat zij niet meewerkte aan medisch onderzoek om de geschiktheid vast te stellen.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de oorspronkelijke maatwerkvoorziening was geëindigd en de voortzetting niet was bestreden. De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en stelt dat appellante wel degelijk belang heeft bij beoordeling van het besluit, ook voor toekomstige perioden.
De Raad bevestigt dat het college terecht een medisch onderzoek verlangt om te bepalen of het verstrekken van forfaitair leefgeld passend is, gezien de problematiek van appellante en het doel van toezicht op besteding binnen beschermd wonen. Omdat appellante niet meewerkte aan dit onderzoek, mocht het college de herziening weigeren.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, maar het bestreden besluit van 28 september 2023 blijft in stand. Appellante krijgt een vergoeding van reiskosten en het griffierecht terug.