Appellant, geboren in 2004, met het syndroom van Marfan en een bloedaandoening, diende op 23 december 2021 een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag op 6 mei 2022 af, omdat weliswaar sprake was van een intensieve zorgbehoefte, maar geen noodzaak bestond voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek door het CIZ zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij beeldbellen volstond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat vanwege zijn aandoeningen en jeugdige leeftijd een persoonlijk onderzoek noodzakelijk was en dat hij 24 uur per dag zorg nodig had.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het CIZ het besluit terecht op medische advisering baseerde en dat de medisch adviseur een volledig beeld had van de gezondheidssituatie van appellant. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat geen noodzaak bestond voor permanente zorg in de nabijheid, omdat zorg op geplande momenten en op afroep volstaat en appellant in staat is zelf hulp in te roepen zonder ernstig nadeel.
Het hoger beroep werd afgewezen, de bestreden uitspraak bevestigd en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De Raad benadrukte dat de wettelijke criteria voor 24-uurszorg niet zijn vervuld.