ECLI:NL:CRVB:2025:1439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uwv om haar per 26 augustus 2022 geen WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De medische beoordeling door verzekeringsartsen en de arbeidskundige beoordeling door het Uwv concludeerden dat appellante beperkingen heeft, maar niet zodanig dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv in stand gelaten.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar lichamelijke klachten, waaronder de ziekte van Sjögren en MGUS, al op de datum in geding speelden en dat zij daardoor verdergaand beperkt is. De Raad volgt dit niet, omdat onvoldoende is gebleken dat deze klachten op 26 augustus 2022 al bestonden. De Raad bevestigt dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen juist zijn vastgesteld.
De Raad concludeert dat appellante terecht geen WIA-uitkering is toegekend en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.