Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig medewerkster in de wasserij, meldde zich ziek met klachten aan schouder, arm, nek en rechterbeen. Na een eerdere WIA-uitkering die in 2016 werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, vroeg zij in 2021 opnieuw een WIA-uitkering aan vanwege vermeende toegenomen beperkingen.
Het UWV weigerde deze uitkering omdat de beperkingen niet toegenomen zouden zijn binnen vijf jaar na de beëindiging van de eerdere uitkering, zoals vereist volgens artikel 57 van Pro de Wet WIA. De rechtbank oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij medische rapporten en aanvullende informatie van artsen waren betrokken. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende was en dat haar klachten, waaronder een in oktober 2022 vastgestelde frozen shoulder, niet juist waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV zorgvuldig en overtuigend was. De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen per 7 mei 2021 waren toegenomen en bevestigde daarmee de weigering van de WIA-uitkering.
De Raad wees het hoger beroep af en bepaalde dat appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E. Fortuin op 15 januari 2025.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WIA-uitkering toe te kennen per 7 mei 2021.