Appellante was werkzaam als medewerkster in de wasserij en meldde zich in 2009 ziek vanwege lichamelijke klachten. Na een operatie kende het UWV haar een WGA-uitkering toe op basis van een volledige arbeidsongeschiktheid. In 2016 vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vaststelden dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en passende functies kon vervullen.
Het UWV beëindigde daarop de WGA-uitkering, wat appellante aanvocht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Ook waren de geselecteerde functies passend, mede omdat er geen nieuwe medische onderbouwing was die anders zou doen besluiten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten waren onderschat en dat het medisch verslag van de orthopedisch chirurg onvoldoende was meegewogen. De Raad stelde dat het verslag wel degelijk was betrokken en dat appellante onvoldoende medische stukken had overgelegd om haar standpunt te onderbouwen.
De Raad concludeerde dat de beoordeling van het UWV juist was en dat de geselecteerde functies passend zijn. Ook het argument van onvoldoende taalbeheersing werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.