ECLI:NL:CRVB:2025:1243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.I. van der Kris
- G.C. Boot
- J.P. Loof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering ZW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving van februari 2016 tot december 2017 een Ziektewet-uitkering. Het Uwv ontving informatie dat appellant werkzaamheden verrichtte bij een garagebedrijf, wat hij niet had gemeld. Na een strafrechtelijk onderzoek en een vonnis waarin appellant werd veroordeeld voor opzetheling en medeplegen van poging tot oplichting, herzag het Uwv de uitkering en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze terugvordering aanvankelijk gegrond wegens onvoldoende bewijs, maar na aanvullend onderzoek en nieuwe stukken handhaafde het Uwv het besluit. De rechtbank stelde het Uwv in het gelijk en oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van werkzaamheden en inkomsten.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij slechts incidenteel hulp bood zonder vergoeding en dat het Uwv onvoldoende concreet bewijs had geleverd. De Raad concludeerde dat het Uwv voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte en dat appellant dit niet met objectief bewijs had weerlegd.
De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat het Uwv terecht de uitkering had ingetrokken en teruggevorderd. Ook achtte de Raad geen dringende reden aanwezig om van terugvordering af te zien, ondanks de persoonlijke omstandigheden van appellant en de duur van het onderzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht.