ECLI:NL:CRVB:2025:1240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing faillissementsuitkering wegens ontbreken gezagsverhouding directeur-grootaandeelhouder
Appellant, werkzaam als directeur bij een failliete vennootschap, verzocht om een faillissementsuitkering nadat de curator de arbeidsovereenkomst had opgezegd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat appellant niet verplicht verzekerd was voor de WW, aangezien hij niet als werknemer kon worden beschouwd vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant als directeur-grootaandeelhouder volgens artikel 6 van Pro de WW niet als werknemer geldt. Appellant stelde dat hij als manager wel onder een gezagsverhouding viel, omdat hij niet kon meebeslissen over zijn ontslag als manager, maar de rechtbank volgde dit niet.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat appellant samen met familieleden meer dan twee derde van de aandelen hield en daardoor over zijn ontslag kon besluiten. Ook is volgens de statuten de algemene vergadering bevoegd tot ontslagbesluiten, waardoor het beroep op artikel 2:239 lid 6 BW Pro niet slaagt. De aanvraag om een faillissementsuitkering werd daarom terecht afgewezen.
De Raad wees het hoger beroep af en liet de weigering van de faillissementsuitkering in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant als directeur-grootaandeelhouder geen werknemer is en daarom geen faillissementsuitkering ontvangt.