ECLI:NL:CRVB:2025:1237
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen op achttiende verjaardag
Appellant heeft 24 jaar na zijn achttiende verjaardag een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, stellende dat hij vanaf zijn achttiende duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte vanwege invaliderende clusterhoofdpijnklachten. Het UWV weigerde de uitkering toe te kennen omdat op basis van medische gegevens en een verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet kon worden vastgesteld dat appellant in de relevante periode duurzaam arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat onvoldoende medisch objectiveerbare informatie was verstrekt om het ontbreken van arbeidsvermogen vast te stellen. De verklaring van de moeder en het ontbreken van eerdere medische documentatie over hoofdpijnklachten in de relevante periode werden als onvoldoende bewijs beschouwd. Ook het feit dat appellant na zijn achttiende een HBO-opleiding heeft afgerond en heeft gewerkt, onderbouwde het oordeel dat geen sprake was van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten in de jeugd niet goed waren gedocumenteerd vanwege onderdrukking en middelengebruik, en dat hij daardoor in bewijsnood verkeerde. De Raad oordeelde echter dat voldoende medische informatie beschikbaar was en dat de late aanvraag voor rekening en risico van appellant kwam. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en verwierp het beroep.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige, omdat geen twijfel bestond aan de medische beoordeling. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
De uitspraak werd gedaan door E.W. Akkerman namens de Centrale Raad van Beroep op 13 augustus 2025.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs van duurzaam arbeidsongeschiktheid op de achttiende verjaardag en de daaropvolgende vijf jaar.