Betrokkene, voormalig werknemer van een volkenrechtelijke organisatie, is volgens de Sociale verzekeringsbank (Svb) niet verzekerd voor de Wet langdurige zorg (Wlz) omdat hij via een regeling van die organisatie verzekerd is voor ziekenhuiszorg en langdurige verpleging in Nederland. Betrokkene betwistte dit na wijziging van zijn zorgverzekering, stellende dat de dekking voor langdurige zorg ontoereikend is. De rechtbank oordeelde dat het minimumbedrag van €250.000,- alleen op langdurige zorg ziet en gaf betrokkene gelegenheid nadere stukken te overleggen.
De Raad stelt echter vast dat het minimumbedrag betrekking heeft op de gezamenlijke vergoeding voor ziekenhuis- en langdurige zorg, conform de tekst en wetsgeschiedenis van KB 746 en de Regeling langdurige zorg. De totale dekking van betrokkene voldoet aan deze norm. De Raad toetst de bepalingen aan het evenredigheidsbeginsel en vindt geen onredelijke of onevenwichtige toepassing. De hardheidsclausule wordt niet toegepast omdat betrokkene nog geen ontoereikende zorg heeft ervaren.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand. De Raad benadrukt de politieke en bestuurlijke afwegingen achter de regeling en bevestigt de terughoudende rechterlijke toetsing bij dergelijke beleidskeuzes.