Verzoekster heeft een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De zaak betreft een bestuursrechtelijke procedure tegen het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer en de Staat der Nederlanden.
De Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de gehele procedure in beginsel vier jaar bedraagt, waarbij de rechterlijke fase maximaal drie en een half jaar mag duren. In deze zaak is de redelijke termijn overschreden met ruim zes maanden, maar minder dan twaalf maanden, gerekend tot de datum waarop een schikking werd bereikt.
De Raad heeft daarom de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.000 aan verzoekster. Daarnaast is de Staat veroordeeld in de proceskosten van verzoekster, begroot op €453,50. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 augustus 2025.