ECLI:NL:CRVB:2025:1093
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in WIA-uitkeringszaak
Appellant stelde beroep in tegen een besluit van het UWV omtrent een WIA-uitkering. Na eerdere vernietiging van een eerdere uitspraak en opdracht aan het UWV tot een nieuwe beslissing, nam het UWV op 19 februari 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de procedure trok appellant het hoger beroep in, omdat het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 april 2025 alsnog tegemoet was gekomen aan het beroep van appellant door toekenning van een IVA-uitkering met terugwerkende kracht.
De Raad heeft op grond van artikel 8:75a Awb en artikel 8:108 Awb Pro het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op €907,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €51,-. Het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten vanwege intrekking van het beroep.
De uitspraak bevestigt dat bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener kan worden veroordeeld in de proceskosten. De Raad heeft het UWV in deze kosten veroordeeld en het griffierecht vergoed. De uitspraak is gedaan door voorzitter Weyers met griffier Pouw op 16 juli 2025.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €907,- en het griffierecht van €51,- na intrekking van het hoger beroep.