ECLI:NL:CRVB:2025:1085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering april 2021 door UWV
Appellant ontving vanaf oktober 2020 een WW-uitkering. Het UWV stelde vast dat appellant in april 2021 een te hoog bedrag ontving op basis van door de werkgever aangeleverde inkomensgegevens. Ondanks verzoeken heeft appellant geen bewijs geleverd dat deze gegevens onjuist waren. Het UWV herzag daarom de uitkering en vorderde het teveel betaalde bedrag terug.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat deels ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit tot invordering niet-ontvankelijk en verwierp het beroep tegen de herziening en terugvordering. Appellant voerde aan dat zijn financiële situatie verslechterde door de verlaging van de uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft gehandeld en dat geen dringende redenen zijn aangevoerd om van terugvordering af te zien. Het UWV houdt rekening met de financiële situatie van appellant bij eventuele toekomstige invordering. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van de WW-uitkering over april 2021 wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.