Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
.De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak 23/1685 WAO. In elke zaak wordt vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een WAO-uitkeringsgerechtigde, verzocht op 23 december 2021 om verhoging van zijn uitkering wegens PTSS. Na het uitblijven van een besluit stelde appellant het UWV op 28 februari 2022 in gebreke. Het UWV nam uiteindelijk op 24 maart 2022 een besluit, acht dagen na de wettelijke termijn, en kende een dwangsom van €184 toe op basis van artikel 4:17 Awb Pro.
Appellant was het niet eens met de hoogte van de dwangsom en stelde dat het UWV hem een hogere dwangsom en wettelijke rente verschuldigd was, mede vanwege een latere verhoging van zijn uitkering in 2023. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en oordeelde dat het besluit van 24 maart 2022 tijdig was voor het bepalen van de dwangsom en dat het latere besluit in 2023 een nieuwe procedure betrof.
Verder oordeelde de Raad dat het niet tijdig nemen van het dwangsombesluit zelf niet leidt tot een extra dwangsom. Het verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de dwangsom van €184 correct heeft vastgesteld en wijst het verzoek om een hogere dwangsom en schadevergoeding af.