ECLI:NL:CRVB:2024:779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, voormalig steigerbouwer, werd geconfronteerd met beëindiging van zijn WIA-uitkering per 20 april 2021 omdat het UWV vaststelde dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant voerde aan dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld en dat de geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschreden. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al was de herbeoordeling in bezwaar gedaan door een arts bezwaar en beroep en niet door een geregistreerd verzekeringsarts.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn bezwaren, onder meer over de onzorgvuldigheid van het medisch onderzoek en het niet benoemen van een onafhankelijke deskundige. De Raad volgde echter het toetsingskader zoals geformuleerd in eerdere uitspraken en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de arts bezwaar en beroep alle klachten had betrokken en dat de geselecteerde functies passend waren.
De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af en bevestigde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren onderbouwd. Het hoger beroep werd verworpen, waarmee de beëindiging van de WIA-uitkering in stand bleef en appellant geen proceskostenvergoeding kreeg.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.