ECLI:NL:CRVB:2024:751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving een WIA-uitkering die het Uwv per 22 mei 2022 beëindigde omdat zij vanaf 1 juni 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Zij betwistte dit en voerde aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar beperkingen groter zijn dan vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd die appellante medisch gezien kon vervullen. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad vond het medisch onderzoek zorgvuldig, ook al was er geen fysiek spreekuur in de bezwaarfase, omdat er voldoende contact was geweest via beeldbellen en een hoorzitting. De Raad vond geen aanwijzingen voor partijdigheid van de verzekeringsarts.
De Raad nam de medische stukken, waaronder rapporten van behandelaars, mee in de beoordeling en concludeerde dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat appellante in staat was tot 20 uur werken per week. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 22 mei 2022 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.