Appellant, met psychische beperkingen, ontving sinds 2016 een maatwerkvoorziening beschermd wonen via een persoonsgebonden budget (pgb) waarmee hij ondersteuning bij een Stichting inkocht. In 2019 weigerde het college de verlenging van het pgb en verstrekte zorg in natura, gebaseerd op een rapport dat de Stichting onvoldoende vond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college onzorgvuldig handelde door appellant pas vanaf 15 januari 2019 formeel zorg in natura toe te kennen, terwijl er feitelijk geen passende plek beschikbaar was. Het college heeft nagelaten tijdig en adequaat onderzoek te doen naar passende zorg en liet appellant tot 1 december 2019 feitelijk zonder passende voorziening. Hierdoor is geen passende bijdrage geleverd aan de behoefte van appellant aan beschermd wonen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor de periode 15 januari 2019 tot 1 december 2019 en kent appellant over deze periode een pgb toe. Tevens wordt een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Daarnaast worden proceskosten en griffierechten aan appellant vergoed.