ECLI:NL:CRVB:2024:461

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
12 maart 2024
Zaaknummer
23/2231 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 1 aanhef en onder e PWArt. 16 lid 1 PW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens te lang verblijf in het buitenland zonder acute noodsituatie

In deze zaak staat de intrekking van bijstand centraal op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (PW). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand van appellant met ingang van 23 juli 2022 in, omdat appellant langer dan vier weken in het buitenland verbleef. Appellant voerde aan dat hij vanwege zijn medische toestand, waaronder chronische psychische problemen, in een acute noodsituatie verkeerde die alleen met bijstand kon worden verholpen.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Zij oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zich in een acute noodsituatie bevond, noch dat hij tijdens zijn verblijf in Egypte in behoeftige omstandigheden verkeerde die enkel met bijstand konden worden verholpen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt de intrekking van de bijstand.

Het in hoger beroep overgelegde verslag van een GZ-psycholoog gaf wel inzicht in de problematiek en beperkingen van appellant, maar leidde niet tot een ander oordeel over de aanwezigheid van een acute noodsituatie. De Raad wijst het hoger beroep af en kent geen proceskostenvergoeding toe aan appellant.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij zich in een acute noodsituatie bevond.

Uitspraak

23.2231 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2023, 23/1042 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 5 maart 2024
Zitting heeft: E.J.M. Heijs
Griffier: S. Ploum
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 maart 2024. Voor appellant is verschenen mr. B.B.A. Willering, advocaat, vergezeld door [naam vader], vader van appellant. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de intrekking van bijstand op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (PW). Op grond van deze bepaling heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland geen recht op bijstand. Aan degene die geen recht op bijstand heeft, kan op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW alleen bijstand worden verleend indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dat is vaste rechtspraak. [1]
Het college heeft met een besluit van 18 augustus 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 januari 2023 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 23 juli 2022 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 23 juli 2022 langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven en dat geen aanleiding bestaat om hem bijstand te verlenen op grond van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – het volgende overwogen. Niet in geschil is dat appellant langer dan vier weken in het buitenland is geweest. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich vanwege zijn medische toestand in een acute noodsituatie bevond. Appellant heeft chronische psychische problemen en deze problemen spelen al jaren. Alleen daarom al kan er geen sprake zijn van een acute noodsituatie en is niet voldaan aan de eerste voorwaarde voor verlening van bijstand op grond van zeer dringende redenen. Bovendien heeft appellant ook niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de tweede voorwaarde, namelijk dat hij tijdens zijn verblijf in Egypte in behoeftige omstandigheden verkeerde die enkel met de verlening van bijstand te verhelpen waren.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in wezen een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Het in hoger beroep overgelegde verslag van een GZ-psycholoog van 8 februari 2024, waarin een beeld van de problematiek en de beperkingen van appellant wordt gegeven, leidt niet tot een ander oordeel. Met dit verslag heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat wel aan de voorwaarden van artikel 16, eerste lid, van de PW is voldaan.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent ook dat appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) E.J.M. Heijs

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.