Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
artikel 1:3 van Pro de Awb, op een aanvraag om een WIA-uitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellante diende op 6 november 2019 een aanvraag in voor een WIA-uitkering. Het UWV weigerde aanvankelijk de uitkering omdat appellante niet op het medisch spreekuur verscheen. Na bezwaar werd de aanvraag opnieuw in behandeling genomen. Appellante stelde het UWV in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing, waarna de rechtbank het UWV opdroeg binnen drie maanden te beslissen en een dwangsom oplegde bij overschrijding.
Het UWV besloot vervolgens op 22 november 2021 de aanvraag te weigeren wegens het niet meewerken aan het medisch onderzoek, gebaseerd op artikel 46a van de Wet WIA. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen het weigeren van een dwangsom. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het weigeren van de dwangsom ongegrond, omdat het UWV binnen de gestelde termijn had beslist.
In hoger beroep betoogde appellante dat het besluit van 22 november 2021 geen besluit in de zin van de Awb was en dat het UWV daarom een dwangsom verschuldigd was. De Raad oordeelde echter dat dit besluit wel degelijk een besluit op de aanvraag is en dat het UWV tijdig heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens afgewezen, omdat de totale procedure binnen de redelijke termijn van vier jaar bleef.
Uitkomst: Het UWV heeft tijdig beslist op de WIA-aanvraag, waardoor geen dwangsom verschuldigd is en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.