ECLI:NL:CRVB:2024:400

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
22/790 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen uitspraak voorzieningenrechter rechtbank Den Haag

Appellante heeft tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2022 hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De voorzieningenrechter had het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, Awb, tegen uitspraken van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Awb Pro geen hoger beroep mogelijk is. Alleen bij een evidente schending van de goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen kan hiervan worden afgeweken, wat hier niet aan de orde is.

De stelling van appellante dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) haar nooit besluiten toestuurt en dat sprake zou zijn van nieuwe informatie, is onvoldoende om het appelverbod te doorbreken. De Raad verklaart zich daarom onbevoegd om het hoger beroep te behandelen en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt terugbetaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 28 februari 2024
22/790 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2022, 21/7872 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [Woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft op 4 maart 2022 een hogerberoepschrift ingediend.
Met een brief van 15 maart 2022 heeft de Raad aan appellante meegedeeld dat bij het hogerberoepschrift de uitspraak waarmee appellante het niet eens is, ontbreekt. Vervolgens heeft appellante de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van
16 februari 2022 aan de Raad gezonden.
Met een brief van 4 april 2023 is appellante meegedeeld dat het niet mogelijk is om tegen een uitspraak van een voorzieningenrechter hoger beroep in te stellen en appellante gevraagd kenbaar te maken of zij haar hoger beroep wenst voort te zetten. Appellante heeft hierop, noch op de herinneringsbrief van 21 april 2023, gereageerd.

OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:84, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek om een voorlopige voorziening van appellante niet-ontvankelijk verklaard.
In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb staat dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Volgens vaste rechtspraak – zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX3733) – kan voor doorbreking van een wettelijk appelverbod aanleiding zijn indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Deze situatie doet zich hier niet voor. De stelling van appellante dat het Uwv haar nooit besluiten toestuurt en dat sprake is van nieuwe informatie is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van een evidente schending van de goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is.
De Raad is kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
De Raad ziet aanleiding te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier aan appellante wordt terugbetaald.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2024.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) E.X.R. Yi
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.