ECLI:NL:CRVB:2024:400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen uitspraak voorzieningenrechter rechtbank Den Haag
Appellante heeft tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2022 hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De voorzieningenrechter had het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, Awb, tegen uitspraken van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Awb Pro geen hoger beroep mogelijk is. Alleen bij een evidente schending van de goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen kan hiervan worden afgeweken, wat hier niet aan de orde is.
De stelling van appellante dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) haar nooit besluiten toestuurt en dat sprake zou zijn van nieuwe informatie, is onvoldoende om het appelverbod te doorbreken. De Raad verklaart zich daarom onbevoegd om het hoger beroep te behandelen en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt terugbetaling van het griffierecht.