Appellant, voormalig beroepsmilitair uitgezonden naar Bosnië, vroeg op 20 juli 2017 een militair invaliditeitspensioen aan. De staatssecretaris wees dit af op basis van medische rapporten waarin PTSS niet was vastgesteld. In 2020 werd echter een nieuwe aanvraag gedaan waarbij PTSS werd erkend en een invaliditeitspensioen toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad vond op basis van nieuw medisch bewijs en rapporten van ARQ en RvAG voldoende aannemelijk dat appellant ook op de peildatum in 2017 al leed aan PTSS gerelateerd aan zijn militaire dienst.
De Raad vernietigde het eerdere besluit en stelde vast dat appellant recht heeft op een militair invaliditeitspensioen met een invaliditeitspercentage van 14,58% per 20 juli 2017. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskostenvergoeding aan appellant.