ECLI:NL:CRVB:2024:2385

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2024
Publicatiedatum
17 december 2024
Zaaknummer
22/2293 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging proceskostenveroordeling wegens niet-beroepsmatige rechtsbijstand Wmo 2015

In deze zaak stond centraal of het college terecht veroordeeld was tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, omdat diens gemachtigde de procedure had gevoerd. Betrokkene had een aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) ingediend, welke door het college was afgewezen. Na bezwaar en nader onderzoek kwam het college deels tegemoet, maar betrokkene ging in beroep.

De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten van € 1.518,-, omdat de gemachtigde van betrokkene de procedure had gevoerd. Het college stelde echter dat de gemachtigde geen professionele rechtsbijstandverlener was, maar eigenaar van de instelling waar betrokkene verbleef en slechts incidenteel juridische hulp verleende.

De Raad oordeelde dat alleen kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat de gemachtigde hoogstens één keer per jaar juridische hulp verleent en geen vergoeding vraagt, is er geen sprake van beroepsmatige rechtsbijstand. Daarom vernietigde de Raad de proceskostenveroordeling. Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van reiskosten van € 15,74 voor het bijwonen van de zitting door de gemachtigde.

De uitspraak bevestigt dat incidentele juridische ondersteuning door niet-professionele vertegenwoordigers niet leidt tot proceskostenveroordeling en benadrukt het belang van duidelijke criteria voor beroepsmatige rechtsbijstand in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de proceskostenveroordeling wegens niet-beroepsmatige rechtsbijstand en veroordeelt het college tot vergoeding van reiskosten van € 15,74.

Uitspraak

22/2293 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juli 2022, 21/943 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Veendam (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 11 december 2024
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtbank terecht het college heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene vanwege de kosten die de gemachtigde van betrokkene voor het voeren van de procedure in beroep heeft gemaakt. De Raad is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft R.J. Kleiweg een verweerschrift en stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 november 2024. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Voor betrokkene is verschenen Kleiweg.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 9 juli 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 februari 2021, heeft het college de aanvraag van betrokkene voor een maatwerkvoorziening voor diverse woningaanpassingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
2. Nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting heeft geschorst heeft het college nader onderzoek laten doen. Het college heeft betrokkene vervolgens in aanmerking gebracht voor een aantal maatwerkvoorzieningen. Aangezien het college in beroep deels is tegemoetgekomen aan betrokkene heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.518,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting).
Het standpunt van het college
3. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het college heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het college in de proceskosten van betrokkene heeft veroordeeld. De gemachtigde van betrokkene is namelijk geen professionele rechtsbijstandverlener, want hij is eigenaar van de instelling voor begeleid en beschermd wonen waar betrokkene verblijft.

Het oordeel van de Raad

4. Het hoger beroep richt zich alleen tegen de veroordeling van het college in de proceskosten. De Raad beoordeelt of de rechtbank dit terecht heeft gedaan. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die het college heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Alleen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking. [1] Van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is sprake als niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp enigerlei vergoeding in rekening wordt gebracht. Dit heeft de Raad eerder geoordeeld. [2]
4.2.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van betrokkene toegelicht dat hij cliënten van de instelling indien nodig ook op juridisch gebied begeleidt. Het gaat dan om juridisch advies en procesbijstand in bezwaar en in beroep. Dit komt hoogstens één keer per jaar voor. Gelet hierop kan de gemachtigde van betrokkene niet worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Dit betekent dat de rechtbank het college ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten wegens verleende rechtsbijstand.
4.3.
De gemachtigde van betrokkene heeft in beroep gevraagd om in aanmerking te komen voor de reiskosten die hij heeft gemaakt om de zitting bij te wonen. Deze reiskosten komen wel voor vergoeding in aanmerking, nu betrokkene zelf niet ter zitting van de rechtbank is verschenen en zich heeft laten vertegenwoordigen door een procesgemachtigde die niet beroepsmatig rechtsbijstand verleent. [3]

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld in de proceskosten van betrokkene wegens verleende rechtsbijstand voor een bedrag van € 1.518,-. Het college wordt veroordeeld in de reiskosten van gemachtigde van betrokkene voor het bijwonen van de zitting in beroep tot een bedrag van € 15,74.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het college is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene voor een bedrag van € 1.518,-;
  • veroordeelt het college in de reiskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag van € 15,74.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2024.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) I. van der Hout

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3971.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1944.