In deze zaak stond centraal of het college terecht veroordeeld was tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, omdat diens gemachtigde de procedure had gevoerd. Betrokkene had een aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) ingediend, welke door het college was afgewezen. Na bezwaar en nader onderzoek kwam het college deels tegemoet, maar betrokkene ging in beroep.
De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten van € 1.518,-, omdat de gemachtigde van betrokkene de procedure had gevoerd. Het college stelde echter dat de gemachtigde geen professionele rechtsbijstandverlener was, maar eigenaar van de instelling waar betrokkene verbleef en slechts incidenteel juridische hulp verleende.
De Raad oordeelde dat alleen kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat de gemachtigde hoogstens één keer per jaar juridische hulp verleent en geen vergoeding vraagt, is er geen sprake van beroepsmatige rechtsbijstand. Daarom vernietigde de Raad de proceskostenveroordeling. Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van reiskosten van € 15,74 voor het bijwonen van de zitting door de gemachtigde.
De uitspraak bevestigt dat incidentele juridische ondersteuning door niet-professionele vertegenwoordigers niet leidt tot proceskostenveroordeling en benadrukt het belang van duidelijke criteria voor beroepsmatige rechtsbijstand in bestuursrechtelijke procedures.