Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor ondersteuning bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 over de periode 31 augustus 2015 tot 30 december 2019. Na een onderzoek naar aanleiding van een melding van de Sociale Verzekeringsbank stelde het college vast dat appellante onjuiste of onvolledige gegevens had verstrekt, met name dat de zorgaanbieder X sinds 1 juli 2018 geen ondersteuning meer leverde, terwijl dit niet was gemeld.
Het college trok het pgb voor de periode 1 juli 2018 tot en met 29 december 2019 in en vorderde een bedrag van € 2.987,62 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en liet het besluit in stand. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel ondersteuning had ontvangen en dat het nooit haar intentie was onjuiste gegevens te verstrekken, en verzocht om matiging van de terugvordering.
De Raad oordeelde dat appellante geen concrete en objectieve informatie had aangeleverd ter onderbouwing van haar stelling dat zij ondersteuning ontving na 1 juli 2018. Het college had terecht geoordeeld dat sprake was van opzet, gezien de wijziging van het rekeningnummer en de onjuiste vermelding van de zorgaanbieder. Een matiging van het terugvorderingsbedrag was niet aangewezen, hoewel een betalingsregeling mogelijk is. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot intrekking en terugvordering van het pgb wegens opzettelijk onjuiste gegevensverstrekking.