Appellant, werkzaam als sous chef met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 28 februari 2023, nam op 30 september 2022 ontslag tijdens ziekte. Het UWV legde hem een maatregel van blijvende gehele weigering van de Ziektewet-uitkering op wegens een benadelingshandeling. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en bevestigde de maatregel, waarbij werd geoordeeld dat appellant verwijtbaar handelde en geen sprake was van een acute psychische noodtoestand die ontslag rechtvaardigde.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn ontslag ondoordacht was door psychische problemen en schaamte, en dat de maatregel disproportioneel was. De Raad oordeelde dat appellant de gevolgen van zijn ontslag kon overzien en dat geen dringende redenen bestonden om af te zien van de maatregel. Wel stelde de Raad vast dat de maatregel ten onrechte werd toegepast tot na de einddatum van de arbeidsovereenkomst en beperkte daarom de duur van de weigering tot 28 februari 2023.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit van het UWV, bepaalde dat de uitkering geweigerd wordt van 1 oktober 2022 tot 1 maart 2023, en kende appellant recht op nabetaling vanaf 1 maart 2023 indien aan voorwaarden wordt voldaan. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten van in totaal €3.937,50, plus griffierecht.