ECLI:NL:CRVB:2024:2177

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2024
Publicatiedatum
21 november 2024
Zaaknummer
24/1865 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig ingediend beroepschrift in WIA-zaak

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een WIA-zaak. De rechtbank had op 29 november 2022 uitspraak gedaan, waarna de termijn voor het indienen van het beroepschrift zes weken bedroeg. Het beroepschrift werd echter pas op 6 augustus 2024 digitaal ontvangen, wat een termijnoverschrijding van bijna twee jaar betekent.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een beroepschrift tijdig moet zijn ingediend binnen zes weken na toezending van de uitspraak. Bij overschrijding kan niet-ontvankelijkheid worden voorkomen indien sprake is van bijzondere omstandigheden zoals ernstige ziekte die de indiener betreffen en het beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend.

Appellant voerde aan dat twee hersenschuddingen hem vergeetachtig maakten en concentratieproblemen veroorzaakten, maar dit werd niet als voldoende grond voor verschoonbaarheid erkend. De Raad oordeelde dat de bijna twee jaar overschrijding te lang was om te stellen dat het beroepschrift zo spoedig mogelijk was ingediend.

Daarom werd het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder verdere inhoudelijke behandeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander op 21 november 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening van het beroepschrift en niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 november 2024
24/1865 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
29 november 2022, 22/1682
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de uitspraak van de rechtbank door middel van toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 29 november 2022 in afschrift aan partijen toegezonden. Het beroepschrift is op 6 augustus 2024 via digitale weg ontvangen.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij brief van 17 september 2024 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft daarop bij e-mailbericht van 26 september 2024 geantwoord dat hij, kort samengevat, door zijn twee hersenschuddingen nogal vergeetachtig is en geen concentratie en overzicht meer heeft, waardoor hij zaken door elkaar heeft gehaald.
Wat appellant heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In dat verband wordt overwogen dat uit vaste jurisprudentie volgt dat een termijnoverschrijding verschoonbaar is, indien het niet tijdig indienen van een beroepschrift niet aan de indiener kan worden toegerekend. [1] Dit kan onder meer het geval zijn als sprake is van bijzondere (persoonlijke) omstandigheden die de indiener betreffen, zoals psychisch onvermogen of ernstige ziekte van de indiener. Een tweede vereiste voor een verschoonbare termijnoverschrijding is dat het beroepschrift zo spoedig mogelijk moet zijn ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Wanneer op voorhand duidelijk is dat dit niet het geval is, hoeft de toerekenbaarheid niet te worden beoordeeld. De termijnoverschrijding is dan niet verschoonbaar.
In de situatie van appellant is de termijn voor het indienen van het beroepschrift met bijna twee jaar overschreden. De Raad is van oordeel dat dit een dusdanig lange periode is, dat niet kan worden gesteld dat appellant het beroepschrift zo spoedig mogelijk heeft ingediend als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. De termijnoverschrijding is dan ook niet verschoonbaar.
Gelet op het hiervoor genoemde is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2024.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.