ECLI:NL:CRVB:2024:2148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Belastingdienst bij bezwaar loonheffingskorting AOW-pensioen na wetswijziging
Appellant ontvangt sinds 2006 een AOW-pensioen en woont sinds 2014 in Montenegro. De Sociale verzekeringsbank (Svb) paste vanaf december 2014 op verzoek van appellant de loonheffingskorting toe op het AOW-pensioen. Na een wetswijziging per 1 januari 2019 kon deze korting niet langer worden toegepast, waardoor appellant een lager pensioen ontving. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, stellende dat dit in strijd was met het belastingverdrag met Montenegro.
De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en wees appellant erop dat de Belastingdienst bevoegd is voor de beslissing. Tijdens het hoger beroep trok de Svb het bestreden besluit in en zond het bezwaar door naar de Belastingdienst. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en oordeelde dat de Svb terecht het bezwaar had doorgestuurd.
Appellant betwistte de bevoegdheid van de Belastingdienst en voerde tevens aan dat de wettelijke regeling in strijd is met de Grondwet en de Algemene Wet gelijke behandeling. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Svb niet bevoegd is en dat het bezwaar terecht is doorgezonden. Inhoudelijke bezwaren kunnen niet in dit hoger beroep worden behandeld, maar zijn aan de orde in de lopende bezwaarprocedure bij de Belastingdienst.
Het hoger beroep wordt afgewezen, de uitspraak van de rechtbank blijft in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Sociale verzekeringsbank niet bevoegd is en dat de Belastingdienst het bezwaar moet behandelen.