Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 11 Participatiewet Pro
[…]
Centrale Raad van Beroep
Appellante, met de Marokkaanse nationaliteit, ontving sinds 2007 bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Haar verblijfsvergunning voor bepaalde tijd liep af op 30 oktober 2021. Het college blokkeerde haar bijstand vanaf 1 november 2021 vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel. Appellante vroeg later verlenging aan en kreeg een nieuwe verblijfsvergunning vanaf 20 januari 2022.
Het college trok de bijstand terug over de periode 31 oktober 2021 tot en met 19 januari 2022 en vorderde de kosten terug. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij gelijkgesteld moest worden met een Nederlander op grond van artikel 11, derde lid, van de PW en dat zij bijstand moest krijgen op grond van zeer dringende redenen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante in de te beoordelen periode geen rechtmatig verblijf had en daarom niet met een Nederlander gelijkgesteld kon worden. Ook het beroep op zeer dringende redenen faalt omdat artikel 16, tweede lid, van de PW toepassing vindt. Het hoger beroep wordt verworpen, de intrekking en terugvordering blijven in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel worden bevestigd.