Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft op zijn achttiende verjaardag een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering vanwege een licht verstandelijke beperking en een reactieve hechtingsstoornis. Het UWV heeft na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek geconcludeerd dat appellant arbeidsvermogen bezit en heeft de uitkering geweigerd. De rechtbank Gelderland heeft dit besluit bevestigd, waarbij zij het onderzoek en de conclusies van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige als zorgvuldig en overtuigend beoordeelde.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet één uur aaneengesloten kan werken en niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, en betwistte de zorgvuldigheid van het onderzoek. Hij verzocht om benoeming van een deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de gronden van appellant een herhaling zijn van eerdere bezwaren die reeds overtuigend zijn gemotiveerd door de rechtbank. Het aanvullende rapport van ’s Heeren Loo uit februari 2024 leidt niet tot een ander oordeel.
De Raad stelt vast dat appellant op zijn achttiende verjaardag arbeidsvermogen had en daarom niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. De vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen blijft onbeantwoord. De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de eerdere uitspraak, waardoor de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellant op zijn achttiende verjaardag arbeidsvermogen had.